Andere online teksten           Josien Laurier       

Uit: De Verhalenbundel van Josien Laurier.
Em. Querido's Uitgeverij te Amsterdam, 2005.

De Beweging

 

Robert Jan had een roep gehoord van over het water.
De stem had simpelweg gezegd: 'Hoor je mij?'
En hij had geknikt.
Wat had hij anders moeten doen? Hij hoorde het toch?
Toch was daarmee iets verschrikkelijks bezegeld, en dat op een water dat nauwelijks een water mocht heten, omdat het helemaal was volgebouwd met drijvende woonwijken, en voor het overige bezaaid met schepen en scheepjes, voor het nuttige of het aangename, er was hoe dan ook weinig water over.
Hij had zo’n idee dat de meeste mensen de roep daadwerkelijk niet hoorden, en het antwoord in alle rust schuldig konden blijven, en dat het merendeel van de rest de vraag wijselijk negeerde, want nee zeggen was ja zeggen.
Of dat wijselijke wijs was wist hij niet één twee drie, want wat is wijsheid. Hij was architect.
Niet van woonwijken, maar van gevangenissen. Daar had hij niet bewust voor gekozen, het was zo gelopen. Hij was zijn loopbaan begonnen bij een groot bureau, dat veel staatsopdrachten kreeg, en daar was hij al op zijn vijfentwintigste op de gevangenissen gezet. Met de know-how die hij er vergaarde, was het hem tien jaar later gelukt zijn eigen bureau op te zetten, gespecialiseerd in gevangenissen.
Het had hem geld gekost. Zijn oude baas had voorzien dat hij een belangrijk account mee zou nemen, personeel bovendien (want Robert Jan was niet alleen goed in zijn vak, maar ook buitengewoon behendig in het omgaan met mensen, tactvol en beminnelijk, maar toch eigenzinnig en streng, zelfs een zeker charisma kon hem niet worden ontzegd), en hem gewezen op boeteclausules uit zijn contract, die op deze gang van zaken van toepassing waren.
De rechter had zijn baas gelijk gegeven, Robert Jan had gedokt. Het had hem geen bal kunnen schelen, hij had geweten wat hij waard was, en dat zijn baas slechts een fractie daarvan kon vragen. Gevangenissen werden over de hele wereld gebouwd, Robert Jan was inmiddels inderdaad bijna overal geweest, meestal met succes.
Hij kon erop bogen dat in alle continenten bouwwerken stonden, die je zó kon herkennen als de zijne. Bunkers waren het niet, eerder leken het treinstations, alsof het om passages ging, passages van de wereld van de criminaliteit naar die waarvan iedereen wilde dat hij bestond: een wereld waarin criminaliteit niet meer die plaats kon innemen, die zij nu had, omdat licht en donker onlosmakelijk verbonden waren... Een wereld, waarin ieder verband liefdevol werd opgemerkt, en over enkelvoudige feiten de schouders werd opgehaald… Een wereld waarin iedereen de miljarden gezichten van de gehele mensheid bezat, een wereld waarin de pijn van één de pijn van allen was, net als het geluk… Een wereld waarin de natuur de enige was die strafte en zegende, en waarin de mens dat met een gelijk gemoed verdroeg...
Hoe je het ook zeggen of zien wou, het ging op de een of andere manier om een hogere rechtsorde. Iedereen voelde dat, en iedereen wilde dat.
Juist als de rechtsgang faalde.
Je zag een soort tunnels, met de belijning van een golf, je zag aarde, en je zag transparantie. Die transparantie was schijn, daar was Robert Jan goed in. Natuurlijk zag je van buiten geen gevangenen lopen, maar je zag wel hun reflecties: projecties van bewegingen die die gevangenen inderdaad hadden gemaakt. Vertraagd waren ze, en vergroot, zodat het allemaal leek te gaan om stromen, om bewegen naar het licht, en wie dat zag, wilde bijna dat hij meekon.
Meegaan in die stroom, de beweging van ondergronds naar bovengronds, en dan zelfs nog hoger. Daarover leken die gebouwen te gaan, rupsen die vooruit leken te kruipen op de onzalige stukken grond die hun waren toegemeten.
Vanuit de trein werd je blik er naartoe getrokken, ministers leidden er graag hun bezoekers naartoe, omheen, en doorheen, en in de volksmond werden gevangenissen ‘bewegingen’. Die en die zat bij de beweging, heette het, en dan wist je genoeg. Ja, zo goed was Robert Jan.
Hij had dat helemaal niet voorvoeld toen hij 25 was en op zijn eerste klus werd gezet, maar hij had ook geen bezwaar tegen zijn succes.
Reizen deed hij graag, praten ook. Zijn beminnelijkheid en tact namen met de jaren toe, er was geen reden zijn eigenzinnigheid onder stoelen of banken te steken, en hij had er geen moeite mee zijn ideeën voor een steeds machtiger gehoor te ontvouwen.
Het gevangeniswezen zelf liet zich zijn inmenging, want daar begon het op te lijken, norsig aanleunen.
'Ik weet niks over gevangenen,' zei Robert Jan altijd, 'ik heb geen strafblad. Maar het schijnt me toe dat het mensen zijn.'
Dit grapje werd in iedere cultuur als een grapje gezien.
En dan kon het verhaal over stromen beginnen.
'Wij komen uit zee,' zei Robert Jan zonder blikken of blozen. 'Op het land zijn wij gaan kruipen, maar zwemmen was onze eerste beweging, en daaraan moeten we denken als we drastische verbeteringen willen.
Welke beweging zit in ons lijf?
Wat correspondeert met onze eerste impuls, hoe is onze visie op voortgang primair gecodeerd?'
Hij kon lullen als de beste en kreeg iedereen om.
En het mooiste was: hij geloofde er zelf in.
Hij legde over het land een gestileerde beweging van de zee.
En daarom vond hij die drijvende woonwijken maar niks, het vliegen boven zee zo mooi, en kon hij de roep die van over het water kwam, onmogelijk negeren.
Arme Robert Jan.
Nee, hij had geen strafblad.
Hij was lief en vriendelijk en nooit werd hem een strobreed in de weg gelegd. Het ging hem gewoon allemaal heel erg goed: drie kinderen en een hond en een vrouw zo mooi en talentvol en een huis natuurlijk dat overal bovenuit stak, en zijn profiel in de bladen, en zijn ‘leer’ op welwillende toon besproken in vaktijdschriften, zijn bedje gespreid en zijn geld allang binnen en personeel dat hem liefhad, en all over the world contacten, en nauwelijks concurrenten.
Gevoegd bij de toenemende vraag naar gevangenissen.
'Robert Jan for president,' riep men op borrels en hij glimlachte.
Hij leek verheven boven goed en kwaad en dat was ook zo.
Totdat hij die roep hoorde.
Toen wist hij niet alleen niet meer wat wijsheid was (hij had dat nooit geweten, hoewel hij het woord dikwijls in de mond had genomen), hij begon ook na te denken over goed en kwaad.
Ineens vond hij die drijvende woonwijken slecht, in de strengste zin van het woord. Hij had het tot dan toe ‘maar niks’ gevonden, obstakels waar hij liefst over- of doorheen keek, nu kwam hij daarmee niet weg.
Hoor jij mij?
Ja hij hoorde, en tegen het verschiet waaruit die stem kwam, waren de wijken slecht. Het was gedobber, het was stagnatie, het was verankerd en verkeerd. De strekkende beweging werd verhinderd, de richting ontbrak, de grond evenzeer, het was gewieg en gesus, het was bedrog, en lelijk bovendien: ondoorzichtig, vierkant en bruin.
Hier moesten kleine geesten huizen, en anders werden ze wel klein gemaakt, het kon niet goed zijn.
Precies kon Robert Jan het allemaal niet op een rij krijgen, lang niet zo precies als hij tot nu toe zijn ideeën over de huisvesting van gevangenen had geëtaleerd, maar dat was onmacht van zijn verstand tegenover dat buitengewoon sterk veroordelende gevoel, en het deed aan dat gevoel niets af.
Hij werd helemaal naar van die wijken en zijn eigen hoofd leek een baksteen toen hij thuiskwam. Wat een ellende had hij gezien, op weg naar dit pand vol heerlijk licht, waar hij zijn ellebogen op de tafel zette om er zijn hoofd in te steunen.
Jasses al die stoplichten, al die dakgoten en stoepen, al die onderbrekingen; hij vloekte onder zijn vide, onder zijn dakkoepel, zo groot en hoog, dat ze na het eten sterren konden kijken, ach jezus toch.
Zijn vrouw, zijn hond, zijn kinderen en zijn villa stemden hem wel vrolijk, maar lang zo sterk niet als de narigheid hem bedroefde.
Zijn vrouw zag het meteen, en troostte zonder vragen, met haar schoonheid, haar blik en haar servies. (Robert Jan had natuurlijk in alles in dit huis veel stem gehad, maar het servies was gekomen zoals het was, van haar familie. Steen-oud was het, van het soort dat het wisselende oordeel van de tijd overleeft: de borden bloemen, de soepterrien een schelp, op de schalen hoefde je maar een tros druiven neer te leggen en je had het beeld van overvloed. Had Robert Jan zelf servies moeten kiezen, dan had hij gedacht aan glas en staal en aan ovaal, maar dit was goed zo het was, net als zijn vrouw.)
Troosten deed het allemaal, maar veel helpen deed het niet.
Hij legde zijn zware hoofd al vroeg op zijn kussen, en toen het nacht was, en hij de roep weer hoorde, was hij tegelijk verheugd en bedrukt.
Ja, hij hoorde, hij verstond.
Hij begreep dat de tijd gekomen was, dat hij zijn taak serieus nam. Tot nu toe, besefte hij, was zijn bestaan droomachtig geweest, hij had gevaren op zijn intuïtie, die in orde was, en waarmee hij werkelijk goede dingen had neergezet, maar nu ging het erom zich volledig bewust te worden van zijn macht en verantwoordelijkheid.
Nee, tot nu toe had hij niets verkeerd gedaan. Maar er kon meer gebeuren, en omdat het kon, moest het ook.
Hij zou niet langer kunnen praten zonder te weten waar hij zijn woorden vandaan haalde. Hij zou niet langer kunnen werken zonder het grote perspectief te zien. Hij zou niet langer kunnen leven met minder dan het mogelijke.
Het was niet genoeg goede dingen neer te zetten.
Er was ook veel fout in de wereld, en daaraan moest iets gebeuren.
Er moest ruimte geschapen worden.
Robert Jan had tot nu toe de volheid van de wereld niet als hinderlijk ervaren, omdat hij ruimte in zijn hoofd gehad had. Dat was mooi geweest, hij was begenadigd geweest, maar hij zag nu dat het niet voldoende was.
Het was mooi om een droom over beweging te realiseren in de bouw van gevangenissen, maar de wereld stond vol met de spreekwoordelijke klippen waarop alles stuksloeg. Zijn ideeën over lelijkheid had hij niet om het een of ander.
Zoals zijn ideeën over de goede vorm overal weerklank vonden, zo kon hij niet alleen staan in zijn ideeën over de verkeerde vorm.
Hij moest ze wel delen met de mensheid, die zich voor een steeds groter deel in de gevangenis liet opsluiten.
Zijn passage-vormen waren mooi, maar de brug naar een betere wereld kon pas worden geslagen als de andere oever bereikbaar was.
Het ging niet aan om over de drijvende woonwijken heen te kijken.
Ze dreven er.
Er bestond, besefte de ongelukkige architect, zoiets als negatieve architectuur.


Op een dag werden de drijvende woonwijken opgeblazen. Overdag ja, evengoed vielen er veel doden, waaronder kinderen.
In de week erop sneuvelde de drijvende horeca.
In de week daarop werden middenin de nacht verschillende grote kruispunten in puin gelegd, tegelijk met een torenhoog monument in het centrum van de stad.
Robert Jan had haarfijn uitgelegd waarom hij juist die punten had aangepakt, maar zijn gehoor was niet langer bereid geen aanstoot te nemen aan zijn eigenwijsheid en niemand roemde nog zijn tact en beminnelijkheid.
Het was verschrikkelijk voor alle doden, en voor zijn gezin – hij werd opgesloten in één van zijn eigen gevangenissen.
Wat een dag was dat, toen hij daar arriveerde, niet als rondleider, maar als misdadiger. Wat een moment toen één van de kooien voor hem openging, de vloer van peperduur zwart graniet, het plafond hoog en wit, de muren van een verlopend grijs. De blik mocht rondgaan, was het idee geweest, de blik mocht dwalen en rust vinden waar hij dat verkoos.
Robert Jan liet zijn blik naar hartelust gaan (ach, wat een vloer!), en hij was blij dat hij straks één van die britsen mocht beslapen, zo strak, zo wit, en dat hij de projecties van de sterren op het plafond kon bekijken, als hij de slaap niet kon vatten. Helemaal donker mocht het in een gevangenis nooit zijn, ook ‘s nachts niet; het was Robert Jan’s idee geweest het licht in de vorm van een geprojecteerde sterrenhemel naar binnen te halen. Zoals de bewegingen aan de binnenkant van het gebouw op de buitenkant te zien waren, vertraagd en vergroot, zo waren de bewegingen van de sterren binnen te zien, versneld en verkleind. Je zag de stelsels bewegen, hoe steeds nieuwe patronen werden gevormd, je zag de realiteit. Buiten voltrok dat proces zich immers ook, trager weliswaar, maar verder was er niets gelogen.
Je was hier binnen.
Je was geborgen.
Er werd over je gewaakt, en voor je gezorgd, jou werd voorgehouden hoe mooi de wereld zijn kon, en hoe ook jouw eigen bijdrage telde.
Dat was het idee geweest, en Robert Jan vond het fantastisch om te merken dat het werkte, om de subtiele stuwing te ervaren, die de belijning van het gebouw veroorzaakte. Er stond hier een andere wind.
Het duizelde hem een beetje, toen hij, al een paar uur na aankomst, naar het zwembad ging, wetend dat hem straks een zwarte zwembroek aangereikt zou worden, en een witte handdoek, wetend ook dat zijn eigen gang nu werd geregistreerd door camera’s, zodat zijn vrouw hem straks zou kunnen zien gaan op de matglazen gevel.
Hij was in een veel gelukkiger stemming dan hij in de weken voor het proces, toen hij dit had zien aankomen, had gedacht.
Hij kreeg zijn zwembroek, en zijn handdoek. Het bad was spierwit betegeld, maar de muren waren blauw, zodat het leek of je door een wolk zwom. Hij spetterde en brieste en toen hij een half uur later naar de eetzaal ging, voelde hij zich herboren.
In de eetzaal was alles groen.
Hij had honger als een paard en schoof graag aan op één van de lage groene banken, aan één van de lange groene tafels. Hij vond iedereen sympathiek, tot het personeel toe, en converseerde opgewekt met een beursjongen, die had gehandeld met voorkennis. De jongen kletste de oren van zijn hoofd, Robert Jan moedigde hem lachend aan, af en toe blij opkijkend naar de palmen, die onder de vide waren geplaatst.
De vide ja, ook hier, en zoveel hoger dan bij hem thuis!
Want de eetzaal was aan de kop van de golf geplaatst, waar het gebouw werkelijk hoogte kreeg, waar het als het ware pas echt van de grond kwam.
Zijn kin bettend met een papieren servetje, besefte Robert Jan, dat hij zich hier meer thuis voelde dan in zijn eigen huis. Natuurlijk had hij dat ook zelf ontworpen, maar daar had hij rekening gehouden met de wensen van zijn kinderen en zijn vrouw, het gebouw was ingeklemd tussen andere huizen, de grote lijn bestond toch vooral in zijn hoofd. Hier had die lijn alle ruimte gekregen, hier zat je onder een groot stuk lucht, en er waren ontzettend veel mensen die de ervaring met je deelden.
Ja wat veel mensen!
Hij begreep nu ten diepste waarom zijn gevangenissen ‘bewegingen’ werden genoemd. Richting had de beweging nog niet, maar inderdaad: het gebouw had de potentie, dat van hieruit een golf van gebeurtenissen werd bewerkstelligd, die de wereld zou verbeteren. Hoe was het mogelijk.
Wat had hij het goed gedaan.
En wat was hij hier op zijn plaats.
Hoe had hij ooit kunnen betreuren dat hij de stem had gehoord? Hij was geroepen – naar hier.
Aandachtig keek hij om zich heen, en hij constateerde, dat deze mannen en vrouwen een energie hadden, die je bij anderen niet aantrof. Dit waren mensen, die, om uiteenlopende redenen, een faux pas hadden gemaakt, waarvoor anderen de moed ontbrak.
Wat een verzameling!
Wat een oord!
Wat een omstandigheden!
De mensen hier hadden tijd, voor reflectie, voor verandering. Dit gebouw zonderde af, maar het bracht ook samen, en het deed dat op een ronduit bemoedigende manier. Het dwong niet, maar het stimuleerde, het had alleen gewacht op een geest als de zijne, die het effect zou weten te benutten.
'Hoor je mij?'
Jawel, in de brede, lichte gangen, die naar de verschillende gemeenschapsruimtes leidden, hoorde Robert Jan de stem hem verwelkomen.
Dit was de plaats waar het grote werk kon beginnen.
Zijn bureau kon zonder hem uitstekend draaien, hij vertrouwde zijn mensen door en door, en had hun toegezegd dat ze voor de ontwerpen op hem konden blijven rekenen. Al die eerste avond, na het eten, sloeg hij in de studiezaal (met de computers, de kranten, de boeken en alweer de palmen, – 'Wat kost nou zo’n bak aarde?' had hij gevraagd, en zijn zin gekregen) zijn mappen open. Om zijn mond speelde de glimlach, waarmee hij nieuwsgierige medegevangenen te woord zou staan: over de ontwerpen om te beginnen, en dan over dat andere project.
Het grote werk.
Er moest een plan van aanpak ontwikkeld worden.
Een lijst van de werkelijk grote knelpunten opgesteld.
Berekeningen moesten gemaakt worden over de ingewikkelde kwestie van timing. Een lijst van adjudanten opgesteld.
De glimlach week niet van zijn lippen, want met iedere minuut die verstreek, drong dieper tot hem door wat een godsgeschenk het was dat hij hier verbleef.
Zijn adjudanten zou hij niet hoeven ronselen op straat, ze zouden zich zelf aandienen. Starend naar zijn ontwerpen, realiseerde hij zich, dat gevangenissen de kloosters waren van de 21e eeuw. Er moesten dingen gebeuren, die de buitenwereld niet voor zijn rekening kon nemen, en waarvoor op deze manier plaats geschapen werd.
’Afzondering’ en ‘martelaarschap’ waren de oude sleutelwoorden.
Wie bommen wierp, zou moeten boeten.
Het was tegen de wet.
Maar noodzakelijk.
De gevangenis nam op, bood plaats en tijd voor reflectie en begeestering, voor de vorming van idealen en solidariteit, en spuwde mensen uit, die gevormd waren, en door de wereld niet van hun stuk te brengen.
Robert Jan was overste, met het kenmerkende wereldse belang.
Zijn glimlach werd al breder.
Over een jaar zou hij er niet alleen in geslaagd zijn de eerste nieuwsgierige blik op zijn werk te hebben omgezet in een massaal steunbetoon aan zijn ideeën (met meer gemak nog dan vroeger zou hij spreken, met meer overtuiging, en voor een captive audience), ook zou de omzet van zijn bureau zijn verviervoudigd.
Om twee redenen.
Hij tikte met zijn potlood op tafel.
Ten eerste had hij nu street credibility.
Wie van zijn concurrenten had gezeten? Wie wist waarover hij het had? De ontwerpen van Robert Jan zouden met abnormale belangstelling bekeken worden, en de opdrachten die tot nu toe aan zijn neus voorbij waren gegaan, zou hij krijgen. Ze hadden in Singapore gelachen om zijn grapjes, maar ze niet gehonoreerd – nu zouden ze niet langer om zijn bureau heen kunnen.
Ten tweede zou de beweging zelf zorgdragen voor een toenemende vraag naar cellen. Wie een monument opblies (en die torenhoge obstakels, die wilden bevriezen in plaats van vloeien, stonden hoog op zijn lijstje), kon rekenen op jarenlange opsluiting. De beweging spuugde uit, en nam weer op.
Met wapenfeiten zouden de adjudanten terugkeren in de schoot van de beweging, liever dan dat ze hun oude broddelwerk opnamen, met alle kans op foute misstappen van dien. Het liefst keerden ze natuurlijk met veel wapenfeiten terug, en stelden ze hun inrekening zo lang mogelijk uit. Ze zouden onderduiken, en hun tijd gebruiken voor werving en selectie. Het vinden van adressen voor de onderduikers kon geen probleem vormen, Robert Jan was goed in adressen.
Sommigen zouden het erop aan leggen in andere gevangenissen terecht te komen, opdat de boodschap beter werd verbreid.
Hij glimlachte.
Nodig zou het niet zijn; het werk zou voor zichzelf spreken. Opruimen was dankbaar werk, tenslotte. Eén geslaagde missie en een stad had een volkomen ander aangezicht. Grote gaten zouden geslagen worden, de tanden van de tijd zouden worden uitgerukt, de wereld zou het smoel krijgen waar je wat mee kon.
Hij schudde zijn hoofd. Nee, begeestering zou geen enkel punt zijn: de mensen kregen eer van hun werk, en gingen stuk voor stuk de geschiedenis in.
Het zou bijzonder aanstekelijk werken: mensen van buiten zouden kleine vergrijpen gaan plegen, omdat ze naar binnen wilden, mensen van allerlei slag, en zeker niet de minsten. De gevangenis zou de plaats worden waar intellectuelen elkaar ontmoetten, intellectuelen en kunstenaars en iedereen die dat wilde zijn. Dat gevoegd bij hen, die misdadiger waren uit gebrek aan perspectief... Het zou een explosieve en vruchtbare plek worden. Kinderen zouden hier geboren worden, nieuwe wereldburgers, die hun eerste stappen zouden zetten op lege pleinen.
Hij tikte weer met zijn potlood.
Snel zou het gaan. Voor hij zijn tijd had uitgezeten, zou de wereld een stuk leger zijn, en zou hij door overheden benaderd worden met de vraag op de rudimenten van de oude wereld te gaan bouwen.
Ze zouden onzeker worden.
Ze zouden beseffen dat ze zijn beweging financierden.
Ze zouden mensen en geld gaan missen. (Want de criminele sector van de economie zou steeds omvangrijker worden. Als de gevangenis de plaats was waar je wilde zijn, kon je dingen overwegen waarvoor je altijd was teruggeschrokken, hoewel het je aan kennis en talent niet ontbrak: fraudes, bankovervallen. Niet iedereen zou onmiddellijk ingerekend worden: wie de gevangenis binnenkwam, kon puissant rijk geworden zijn.)
Ze zouden zich tenslotte de oude Robert Jan herinneren, die construeren wilde.
De oude Robert Jan was niet dood.
Hij zou thuis geven, hier in zijn bolwerk, in het centrum van de macht, die zij zelf niet hadden willen accepteren, hij zou bereid zijn te overleggen, hij zou nieuwe opdrachten accepteren.
Tot wie anders zouden ze zich moeten wenden?
De bombardementen zouden stoppen, de nieuwbouw zou een aanvang nemen, ze zouden zichzelf feliciteren met hun wijsheid, hun strategisch inzicht, hun revolutionaire visie. Robert Jan for president; het zou een grap worden, die geen grap was.
Als hij aan het einde van zijn strafperiode de gevangenis zou verlaten, zou dat slechts zijn om het resultaat van zijn werk te aanschouwen, en de credits te innen.
Hij borg zijn papieren weg, dronk een kop thee, en sliep die nacht tevreden in, onder zijn eigen sterrenhemel.